28 maart 2018

Judas, held noch verrader

Geschreven door André Meiresonne

Judas is een verrader. Zo heb ik het geleerd. Op de School met de Bijbel. Nee, Judas is een held, Judas is cool. Dat zag ik op de middelbare school in Jesus Christ Superstar. Van het ene uiterste naar het andere. Van vervloekt naar opgehemeld.

In het opgegraven Evangelie naar Judas is het weer anders. Jezus en Judas lijken een bondje te hebben. Door Jezus te verraden helpt Judas hem een handje. De kus van Judas is afgesproken werk. Noodzakelijk om Jezus lijden, dood en opstanding uit diezelfde dood in gang te zetten. En zonder verraad geen kruisiging, zonder kruisiging geen opstanding en zonder opstanding geen nieuw geloof. Judas bedankt!

Misschien zit het nog anders. Menselijker, complexer, minder bedacht, gekker ook. Stel je het volgende eens voor. Judas zit in een boomgaard. De bomen hangen vol rijpe vruchten. Hij praat in op de mensen die in een kring om hem heen zitten. Zijn krullen schudden wild als hij hartstochtelijk vertelt over het nieuwe rijk. Hij is er van overtuigd dat het er nu echt van gaat komen. Sterker nog, van moet komen. Want de verlosser is er!

Judas is een vrijheidsstrijder. ‘We moeten het nu doen! Het is binnen bereik, nu in aktie komen! Opstaan tegen de overheersing!’ En hij gelooft in Jezus. Jezus is voor hem de man die het verzet moet leiden, die het ideaal van vrijheid belichaamt. Maar Jezus wil niet vechten, gelooft niet in strijd. Hij wil niet opstaan tegen de Romeinen, wil Judea niet bevrijden. Want vrijheid zit volgens Jezus van binnen. Vrijheid zit in jezelf.

Judas voelt zich steeds vaker alleen. Raakt meer en meer gefrustreerd. Voelt zich in de steek gelaten. Voor de gek gehouden ook. Want Jezus, de man met wie hij nu al een paar jaar optrekt, waar hij in gelooft, wil niet doen wat Judas wil. Judas is er heilig van overtuigd, het moment is daar! Maar Jezus gaat er niet op in. Judas voelt zich met de dag machtelozer worden, bozer. En ook militanter.

Judas heeft grote idealen. Hij lijkt ervan bezeten. Hij wil vrijheid. Vrijheid voor zichzelf, voor zijn volk, voor zijn land. Daar wil hij voor strijden. Jezus is voor hem iemand met dezelfde idealen, een broeder in de strijd. De strijd tegen onvrijheid en overheersing, door wie of wat dan ook. Joodse farizeeërs of de Romeinse keizer, het maakt niet uit. Judas gelooft in een nieuwe wereld, een nieuw rijk. Daar heeft Jezus het toch steeds over?

Judas hoop is aangewakkerd door die aktie van Jezus in de tempel. Jezus was woedend en heeft dat laten merken ook. Hoogstpersoonlijk heeft hij de woekeraars de tempel uitgemept. Judas had nog nooit iemand zo kwaad gezien. En omdat hij het zo oprecht meende was het effect enorm. De geldhandelaren vlogen de tempel uit. Dat maakte indruk, bij iedereen die erbij was en die het hoorde. Dat werkte! En nu doorpakken.

Judas begrijpt niets meer van Jezus onwilligheid. Waar wacht Jezus nog op? Als Jezus zich dan ook nog laat zalven door Maria Magdalena is Judas helemaal met hem klaar. Hij is zo boos. Wat een geldverspilling, wat een onzin! Waar gáát dit over?! Of we niets anders te doen hebben! Of we dat geld niet beter kunnen besteden! Aan de armen bijvoorbeeld?! Er is aktie nodig in plaats van dit halfzachte gezalf. Allemaal sentimenteel gedoe!

Judas vindt ook geen aansluiting meer bij de andere discipelen. Dan, de wanhoop nabij, krijgt hij een driest plan. Hij weet een manier om Jezus wakker te maken, op te wekken uit zijn eindeloze passiviteit, zijn tergende lijdzaamheid. Jezus begrijpt domweg niet dat voor die hemel op aarde wel eerst de hel moet losbarsten. Daar gaat Judas hem een handje bij helpen. Judas heeft iets heel slims bedacht…

Judas denkt: als de hogepriesters Jezus nou eens oppakken. En hem dan stevig aanpakken. Dan zal hij eindelijk wakker worden. En opstaan. Dan moet hij wel! Met de afgesproken kus levert Judas hem uit aan de hogepriesters. Maar dan gaat het tot zijn ontsteltenis heel anders dan hij bedacht had. Jezus doet niets! Hij geeft zich over. Hij laat zich ondervragen, geselen en veroordelen. ‘Gij zegt het’ is zijn enig verweer tegen alle aantijgingen.

Judas gelooft z’n ogen niet. Daar ligt Jezus, bloedend, uitgelachen. Dit is niet de bedoeling! ‘Sta op!’ wil hij roepen. Maar Jezus staat niet op. Dan dringt tot Judas door dat Jezus al die tijd iets heel anders bedoeld heeft. En hij schrikt zich kapot. Maar dan is er geen weg meer terug. Het is inmiddels onbeheersbaar, onafwendbaar en onomkeerbaar. Judas kan niets meer doen. Zijn ideaal wordt voor zijn ogen vernietigd.

Judas gooit met een machteloos gebaar zijn verradersloon voor de voeten van de priesters. Die lachen Judas uit. ‘Waar maak jij je druk om? Dit wilde je toch?’ Jezus staat nog wel op. Maar dat is pas op de derde dag. Dan heeft Judas zich al opgehangen.

Gerelateerd